In 1660 ontwierp de architect Philips Vingboons (1607-1678) een rij van vier huizen, Herengracht 364 tot 370, voor de katholieke houthandelaar Jacob Cromhout (1608-1669) en zijn vrouw Margaretha Wuijtiers. Cromhout ging zelf wonen op nummer 366. De andere drie huizen verhuurde hij.
De vier ‘Cromhouthuizen’ hebben natuurstenen halsgevels versierd met driehoekige frontons. Het is een detail dat in de grachtengordel wel eens over het hoofd wordt gezien: natuursteen komt in Nederland vrijwel niet voor. Het materiaal voor vier gevels kwam dus per schuit uit Duitsland of Wallonië. Dat was een kostbare zaak, een teken van welstand, en het wees er ook op dat de architect de ambitie had om op ‘internationaal’ niveau bouwkunst te bedrijven, beter dan de gewone baksteen.
De stenen gevels waren al een statement, maar in het interieur pakte Cromhout pas echt uit. Zijn eigen woonhuis, Herengracht 366, loopt aan de tuinzijde achter nummer 368 door, waar het bijna zeventien meter breed is. De zaal ziet uit op een enorme tuin, die doorliep tot aan de Keizersgracht. Het hele complex werd door Vingboons van onder tot boven vormgegeven, ‘met Italiaanse stof, naar Franse snit’. De boodschap van ‘welvaart met smaak’ werd in alles uitgedragen: gordijnen, bekleding, het marmer in de gang, het stucwerk, het houtsnijwerk aan de trapleuning, alles - tot het patroon van de beplanting van borders in de tuin.
Aan het eind van de 19de eeuw veranderde die moraal van uiterlijke soberheid. De ‘nouveaux riches’ hadden hun intrede gedaan. Jacob Nienhuys (1836-1927), de bouwheer van Herengracht 380-382, was geen oude Amsterdamse patriciër, maar een nieuwkomer, die stinkend rijk geworden was met de exploitatie van tabaksplantages op Sumatra. Nienhuys gaf de architect Abraham Salm opdracht voor de bouw van een compleet nieuw huis op twee dubbele erven, in een ongewone stijl: die van de zestiende-eeuwse Franse kastelen langs de Loire. Geld was geen bezwaar, Salm kreeg de vrije hand.
Nienhuys spiegelde zich nadrukkelijk niet aan het Amsterdamse verleden. Zijn inspiratie was het woonhuis van Cornelius VanderBilt, in New York, het schoolvoorbeeld van ‘nieuw geld’. De gevel is buitengewoon rijk versierd; het interieur is nog vele malen prachtiger. Het huis van Nienhuys was bovendien het eerste in Nederland met elektrische verlichting. Dit was een stadspaleis dat op de gracht zijn weerga niet had, een gebouw dat de zeventiende-eeuwse oorsprong ver overtrof, en opkomst van het nieuwe, ‘Indische’ geld in de stad markeerde.
Foto: Anoniem, Nieuwjaarswens van de gaslantaarnopsteker L. Kollewijn, 1852 (Collectie Stadsarchief Amsterdam)
Dit verhaal is afkomstig uit Editie #7 waarvoor Koen Kleijn in 10 stadsverhalen Amsterdam door de ogen van het thema 'The Medium is the Message' heeft bekeken.
Koen Kleijn is kunsthistoricus, journalist, documentairemaker en schrijver. Een van zijn specialiteiten is de geschiedenis van Amsterdam, waarover hij verschillende boeken heeft geschreven. Sinds begin dit jaar jaar is hij hoofdredacteur van het historisch maandblad Ons Amsterdam. Verder is hij vaste criticus van De Groene Amsterdammer, en conservator van Museum Het Grachtenhuis.